Maarten van Rhijn

 

Groningen 29 april 1888 - Bilthoven 3 oktober 1966

De perioden van het leven van Maarten van Rhijn zijn duidelijk gescandeerd.1 Als zoon van prof. dr. C.H. van Rhijn en Aletta Kruyt heeft hij zijn jeugd in Groningen doorgebracht, waar zijn vader hoogleraar in de theologie was. Na zijn studietijd, waarin hij alle examens cum laude aflegde, werd drs. Van Rhijn in 1915 door de ncsv als haar vaste studiesecretaris benoemd, die samen met dr. H.C. Rutgers in 1916 voor deze organisatie een centrum in Bloemenheuvel te Zeist betrok, dat later achtereenvolgens door het kasteel Hardenbroek en het conferentieoord Woudschoten werd vervangen. Na zijn huwelijk in 1919 met mej. Louise Wilhelmina Wolterbeek vestigde hij zich op de Leemkolk te Werkhoven en bleef hij in dienst van de ncsv tot 1926, toen hij op 25 juni door ds. J.A. van Selms uit Nijmegen als predikant der Hervormde gemeente van Groesbeek werd bevestigd. Dit pastoraat was maar van korte duur, want slechts enkele weken later werd dr. Van Rhijn tot hoogleraar vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk te Utrecht benoemd om prof. dr. J.R. Slotemaker de BruÔne op te volgen, die Minister was geworden. Dit bleef prof. Van Rhijn tot 1934, toen hij aan dezelfde universiteit in de vacature van prof. dr. J.A. Cramer als rijkshoogleraar de kerk- en dogmengeschiedenis te doceren kreeg. Hij heeft dit ambt bekleed tot 1958, en gaf op 22 mei van dat jaar in een stampvolle Domkerk zijn afscheidscollege. In 1966 is hij in Bilthoven ontslapen na een werkzaam leven, waaraan zijn vele oudleerlingen en vrienden de schoonste en rijkste herinneringen bewaren.

 

Bij een dankbare terugblik op dit arbeidzaam en vruchtdragend leven is het duidelijk, dat de wetenschappelijke belangstelling van prof. Van Rhijn zich vooral uitstrekte over twee terreinen in de theologie, die naar zijn inzicht alles met elkaar te maken hadden, al zijn ze in de praktijk ook als Ďvakkení onderscheiden, namelijk de bestudering van kerk- en dogmengeschiedenis Ťn die van het Nieuwe Testament. Deze dubbele interesse, die geen zeldzaamheid is, kon bij Van Rhijn een vanzelfsprekendheid worden geacht, als men zich herinnert dat zijn vader voor beide vakken een leeropdracht had.

 

De kerkhistorische belangstelling werd al in Maarten gewekt, toen hij pas student was en hij zijn vader mocht helpen bij het optekenen van de grafschriften in de Martinikerk te Groningen met onder andere het gedenkteken van Wessel Gansfort, op wie zijn vader hem meermalen wees. Zo kwam het dat hij met deze theoloog ijverig bezig bleef en op 22 juni 1917 in Groningen cum laude promoveerde op een dissertatie over Wessel Gansfort. Het onderwerp liet hem ook na deze dag niet los, zoals bleek uit artikelen over de invloed van Wessel Gansfort en de dogmenhistorische achtergrond van diens avondmaalsleer, maar ook uit boeiende opstellen over figuren uit dezelfde periode en zijn gedegen StudiŽn over Wessel Gansfort en zijn tijd, die in 1933 in Utrecht zijn verschenen.

 

De aandacht van Van Rhijn bleef echter tot de genoemde periode van de kerk- en dogmengeschiedenis niet beperkt. Hij boeide zijn studenten in volle zalen met colleges over grote mannen als Augustinus, Franciscus van Assisi, Thomas van Aquino, Luther en Pascal, en vergat ook de latere tijd niet, als hij studeerde in of college gaf over Kierkegaard, Overbeck, Herrmann, Kšhler en Barth. Over wie hij ook handelde was om het even; maar de gestalten gingen voor zijn leerlingen leven: hun problemen en levensvragen werden de hunne en over de eeuwen heen was er een band, die hen bond, de band met Jezus Christus. Zijn kracht lag duidelijk in de tekening van belangrijke theologen: bij de beschrijving van het levenswerk van mannen als Is. van Dijk, A.J. Th. Jonker en Van Oosterzee werd zichtbaar, dat Van Rhijn niet alleen met zijn vaardige pen schreef, maar ook met zijn warme hart. Heel bijzonder was hij echter door Luther bekoord, omdat diens rechtvaardigingsleer zijns inziens de kern van de bijbelse boodschap bevatte. Met Luther kon hij letterlijk Ďurení doorbrengen, en gaarne vergeleek hij de reformator met anderen van groot formaat, als Thomas en Erasmus, Ritschl en Barth.

 

Bij dit alles heeft de studie van het Nieuwe Testament hem nimmer losgelaten. Als studiesecretaris van de ncsv had hij in bijbelkringen, kampen en conferenties veel blijvende contacten, waarbij de wijze waarop Jezus met allerlei mensen ontmoetingen had, hem in zijn gesprekken de nodige bezieling en leiding gaf. In deze tijd kwamen boeken over de synoptische evangeliŽn tot stand als duidelijke proeven van verantwoorde studie; geschreven in een stijl die de lezers persoonlijk aansprak. Zijn Gedachten en

[p. 261]gestalten uit de EvangeliŽn in drie delen zijn van deze studiejaren een rijpe vrucht, al mogen ook andere werken niet vergeten worden, zoals: Een blik in het onderwijs van Jezus; Het Nieuwe Testament in het licht der nieuwere opgravingen en zijn Handboek voor Bijbelstudie.

 

Het geheim van zijn invloed in de studentenwereld en daarbuiten moet gezocht worden in de wijze waarop Maarten van Rhijn (zoals hij bij voorkeur door zijn vele vrienden en leerlingen werd genoemd) bij al zijn arbeid, ook op theologisch gebied, gedragen werd door zijn persoonlijk geloof in Jezus Christus, met wie hij zich verbonden wist, en zijn pastorale zorg voor elke medemens die hij op zijn weg ontmoette. Vooral zijn studenten en vele predikanten weten hiervan mee te spreken.

 

Zo was het bijna profetisch, dat hij in 1888 door prof. Van Dijk gedoopt werd met een preek over onpersoonlijke godsdienst en persoonlijke godsvrucht (1 Sam. 3 : 1a, 7a). De huiscatechisaties van zijn vader brachten hem met de bijbel in een levend contact, maar ook prof. A.J. Th. Jonker, die op zondagavond in huize Van Rhijn placht te komen in Maarten's jeugdjaren, heeft een diepe indruk op hem gemaakt. Gevormd door een trouwe kerkgang in de Martinikerk en door het kamp, waar hij op eenvoudige wijze hoorde spreken over het leven met God, organiseerde hij in zijn studententijd vele bijbelkringen en zette hij, gesteund door prof. Van Dijk, academiediensten op die veel studenten trokken en waarin de prediking der verzoening een grote plaats had. In dezelfde lijn lag zowel zijn proefpreek over de belijdenis van Petrus, als zijn intreepreek in Groesbeek over de bede uit het Onze Vader, tevens het bekend devies van de ncsv: Uw Koninkrijk kome (Eltheto).

 

Bij zijn grote liefde voor de kerk en het kerkelijk leven zag Van Rhijn de gebreken en tekortkomingen ervan niet over het hoofd. Hij droeg er leed over, maar liet niet, zoals anderen, de band met de gemeente verslappen. In zijn hart was een voortdurende hunkering naar een kerkelijk rťveil, waarvoor hij van de Oxfordbeweging van Frank Buchman veel steun verwachtte. Hierbij zag hij in house-parties meer dan in de massale meetings een middel waardoor velen zich persoonlijk aan Christus zouden overgeven en in hun omgeving met blijdschap over Hem zouden spreken. Intussen had hij ook zijn kritiek toen de beweging zich later meer op de maatschappij en het internationale leven ging richten dan op de bekering van de enkeling en de kerk. De houding van Karl Barth in de Duitse kerkstrijd, de theologie van Brunner, de vernieuwing van de eredienst, de opkomst van jeugdwerk en oecumene hadden zijn grote sympathie.

[p. 262]In de oorlogsjaren, die hem gedurende enkele maanden in het gijzelaarskamp te Haren hebben gebracht, schreef hij over het leven uit de Geest en het gebed. Na de oorlog heeft hij aan de totstandkoming van de nieuwe kerkorde niet actief meegewerkt, omdat zaken van kerkrecht en kerkstructuren hem minder lagen dan het pleiten en werken voor een heenkeer tot Christus om zo tot betere verhoudingen te komen in het persoonlijk leven en in de moderne sociale en internationale omstandigheden.

 

De nagedachtenis van deze innemende mensenkenner en vaderlijke vriend van veel jonge mensen wordt wellicht het zuiverst geŽerd als wij herinneren aan het psalmwoord, waarmee prof. Van Rhijn na zijn afscheidsrede op 22 mei 1958 zijn geestig dankwoord besloot: ĎGeloofd zij God met diepst ontzag.í

 

 

G.P. van Itterzon

 

Voornaamste geschriften

Ernst en vrede. Opstellen rondom de ethische theologie aangeboden aan prof. dr. M. van Rhijn op 15 november 1951, 's-Gravenhage 1951, bevat op p.215-225 een uitvoerige Bibliografie van prof. Van Rhijn, samengesteld door C.H. van Rhijn A.A. zn.

 

Een aanvulling op deze bibliografie werd gemaakt door dr. P.L. Schram. Deze aanvulling is te vinden in de bibliotheek van het Theologisch instituut te Utrecht onder het beheer van dr. A. de Groot, die, gesteund door vele vakgeleerden, een nieuw Biographisch woordenboek van protestantse godgeleerden in Nederland voorbereidt. Te zijner tijd zal in dit woordenboek een artikel over prof. Van Rhijn verschijnen van dr. P.L. Schram waarop wij thans reeds gaarne de aandacht vestigen.

 

Onder bijzondere dank aan dr. Schram en dr. De Groot volgt hier de aanvullende lijst van Van Rhijn's geschriften die verschenen zijn na 1951

 

Afzonderlijke publicaties

 

  • Gedachten en gestalten uit de EvangeliŽn 1, Nijkerk 1953 (tweede druk).
  • Gedachten en gestalten uit de EvangeliŽn 2 en 3, Nijkerk 1958.

Bijdragen

  • Ter inleiding in Ronald Fangen, Paulus en onze tijd. Wageningen 1952.
  • Woord vooraf in H.J. Dijckmeester, Gods marsorder. 's-Gravenhage 1958.
  • Kerk en genade. Middeleeuwen en Reformatie in Ecclesia. Een bundel opstellen aangeboden aan prof. dr. J.N. Bakhuizen van den Brink. 's-Gravenhage 1959, p.82-97.
  • Voorlopers der hervorming. Wessel Gansfort in Documenta Reformatoria 1, Kampen 1960, p.1-12.
  • Ethische Theologie in Documenta Reformatoria 2, Kampen 1962, p.256-298.

Artikelen

  • Bene qui latuit bene vixit in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 1951, p.164-178.
  • Luther en Dionysius Areopagita in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 1952, p. 100-113.
  • [p. 263]Het trekken van de verhoogde in Diakonia, nov. 1953.
  • Kierkegaard en Nietzche in Utrechts Nieuwsblad, 5 nov. 1955.
  • Bloemenheuvel in Eltheto, 1957, p.5 vlg.
  • In memoriam dr. J. Lindeboom in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 1958, p. 187-194.
  • Waarom brak Luther met Rome? in De Protestant, 13 febr. 1960.
  • Kende Luther Thomas? in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 1961, p.153-156.
  • Het concilie van Trente en de leer der rechtvaardiging in De Protestant, 8 sept. 1961.
  • De ingestorte genade in De Protestant, 23 sept. 1961.
  • Prof. dr. A.J. Th. Jonker in Woord en Dienst, 29 sept. 1962.
  • Jung Stilling en Nederland in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 1963, p.208-234.